language page

Joost van den Vondel (1587-1679)

Gijsbreght van Aemstel

Het eerste bedryf

GYSBRECHT VAN AEMSTEL

Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange lesten
Erbarremt over my en mijn benaeuwde vesten
En arme burgery, en op mijn volcx gebed
En dagelix geschrey de bange stad ontzet.
De vyand, zonder dat wy uitkomst durfden hopen,
Is, zonder slagh of stoot, van zelf het land verlopen.
Mijn broeder jaaght hem na. Zy nemen vast de wijck,
En vlughten haestigh langs den Haerelemmer dijck.
Zoo stuift de zee voor wind met haar gedreve golven
Zoo zaghmen menighmael een kudde wrede wolven
En felle tigers vliê>n voor 't ysselick geschreeuw
Van aller dieren vorst, den hongerigen leeuw,
Om niet al levendigh en versch te zijn verslonden
Van hem, die op zijn jaght geen aes en had gevonden.
Hoe snel, hoe onverziens is deze kans gedraeit!
[...]

REY VAN EDELINGEN

Wy edelingen, bly van geest,
Ter kerke gaen op 't hooge feest,
Den eerst geboren heiland groetn,
En knielen voor de kleene voeten
Van 't kind, waer voor Herodes vreest;
Het kind waer voor een starre rijst,
Die Wijzen met haer straelen wijst
De donkre plaets van zijn geboorte,
En leit hen binnen Davids poorte,
Daer d'allerhooghste 't laeghste prijst.
Het Oosten offert wieroock, goud
En myr, tot 's levens onderhoud
Van hem, die, neergedaelt van boven,
In 't arme Bethlem leit verschoven,
Hoewel hy alles heeft gebouwt.
't Gevogelt, dat op wiecken zweeft,
Zijn nest, de vos zijn holen heeft,
En woont in bergen en in bosschen;
Een stal van ezelen en ossen
Den Schepper naulix herbergh geeft.
De kribbe hem een wiegh verstreckt,
Die 't aerdrijck met den hemel deckt,
En elleck dier bestelt zijn voeder.
O kind, ghy zijt, gelijck uw moeder,
Met pracht noch hoovaerdy bevleckt.
Hier voert de neergedaelde God
De trotze weereld om met spot
In zijn triomf, tot smagd der hoven;
Hier voert hy 't nedrigh harte boven
Met hem, in 't onverwinbre slot.
Hier schuilt dat godlijck aengezicht,
Waer uit de zonne schept haer licht,
En alle starren glans en luister.
Hier leit hy zonder gland in 't duister,
Die englen tot zijn' dienst verplicht.
Des hemels reien wiegen hem
In slaep met hunne zoete stem,
Die noit van vaeck en was beschoten,
En weckt het hoofd van alle grooten,
In 't koningklijck Jerusalem.
Augustus Rijck verliest zijn eer;
De Roomsche scepter reickt niet veer;
Het Oost versmaed Latijnsche naemen;
Maer dees beheerscht het al te zaemen,
Oock daer de zonne neemt haer' keer.
De hemel, 't aerdrijck en de hel
Die luistren scharp na zijn bevel,
En ziddren voor de zuivre wetten,
Die hy door visschers laet trompetten,
En blaezen over duin en del.
De doecken daer dit kint in leit
In 't purper van zijn majesteit,
Waer in de harders hem aenschouwen,
Dien God de zielen komt vertrouwen,
Gelijck van ouds was toegezeit;
Dat God zijn kudde weiden zal,
En hoen voor ramp en ongeval,
En na'et verdwaelde schaepken vraegen,
En dat op zijne schouders draegen
Met vreughd by 't overigh getal.
Hier is de wijsheid ongeacht;
Hier geld geen adel, staet noch pracht.
De hemel heeft het kleen verkoren.
Al wie door ootmoed word herboren,
Die is van 't hemelsche geslacht.
Ghy die der vorten harten leit,
Gelijck een beeck, en schift en scheid
Het licht van dicke duisternissen,
Laet den tyran zijn' aenslagh missen,
Die den onnooslen laegen leit.


REY VAN KLAERISSEN

O Kerstnacht, schooner dan de daegen,
Hoe kan Herodes 't licht verdraegen,
Dat in uw duisternisse blinckt,
En wort geviert en aengebeden?
Zijn hooghmoed luistert na geen reden,
Hoe schel die in zijn ooren klinckt.
Hy pooght d'onnoosle te vernielen
Door 't moorden van onnoosle zielen,
En werckt een stad en landgeschrey,
In Bethlehem en op den acker,
en maeckt den geest van Rachel wacker,
Die waeren gaet door beemd en wey,
Dan na het westen, dan na'et oosten.
Wie zal die droeve moeder troosten
Nu zy haer lieve kinders derft?
Nu zy die ziet in 't bloed versmooren,
Aleerze naulix zijn geboren,
en zoo veel zwaerden rood geverft?
Zy ziet de melleck op de tippen
Van die bestorve en bleecke lippen,
Geruckt noch versch van moeders borst.
Zy ziet de teere traentjes hangen
Als dauw aen druppels op de wangen;
Zy zietze vuil, van bloed bemorst.
De winckbraeuw deckt nu met zijn booghjes
Geloken en geen lachende ooghjes,
Die straelden tot in 't moeders hart,
Als starren, die met haer gewemel
Het aenschijn schiepen tot een' hemel,
Eer 't met een' mist betrocken werd.
Wie kan d'ellende en 't jammer noemen,
En tellen zoo veel jonge bloemen,
Die doen verwelckten, eerze noch
Haer frissche bladeren ontloken,
En liefelijck voor yeder roken,
En 'smorgens droncken 't eerste zogh?
Zoo velt de zein de korenairen;
Zoo schud een buy de groene blaeren,
Wanneer het stormt in 't wilde woud.
Wat kan de blinde staetzucht brouwen,
Wanneerze raest uit misvertrouwen!
Wat luid zoo schendigh dat haer rouwt!
Bedruckte Rachel, schort dit waeren:
Uw kinders sterven martelaeren,
En eerstelingen van het zaed,
Dat uit uw bloed begint te groeien,
En heerlijck tot Gods eer zal bloeien,
En door geen wreedheid en vergaet.

REY VAN BURGHZATEN, BADELOCH

REY

Waer werd oprechter trouw
Dan tusschen man en vrouw
Ter weereld oit gevonden?
Twee zielen gloende aen een gesmeed,
Of vast geschakelt en verbonden
In lief en leedt.
De band die 't harte bind
Der moeder aen het kind,
Gebaert met wee en smarte,
Aen hare borst met melck gevoed,
Zoo lang gedraegen onder 't harte,
Verbind het bloed;
Noch sterker bind de band
Van 't paer, door hand aen hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Na datze jaeren lang gepaert
Een kuisch en vreedzaem leven leidden,
Gelijck van aerd.
Daer zoo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart te gader.
die liefde is stercker dan de dood.
Geen liefde koomt Gods liefde nader,
Noch schijnt zoo groot.
Geen water bluscht dit vuur,
Het edelst dat natuur
Ter weereld heeft ontsteecken.
dit is het krachtigste ciment,
Dat harten bind, als muuren breecken
Tot puin in 't end.
Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurt
Vn haer beminde tortel.
Zy jammert op de dorre ranck
Van eenen hoogen boom,
verdrooght van wortel,
Haer leven langk.
Zoo treurt nu Aemstels vrouw,
En smelt als sneeuw van rouw
Tot water en tot traenen.
Zy rekent Gijsbreght nu al dood,
Die, om zijn stad en onderdaenen,
Zich geeft te bloot.
O God, verlicht haer kruis,
Dat zy den held op 't huis
Met blijschap magh ontfangen,
Die tusschen hoop en vreeze drijft,
En zucht, en uitziet met verlangen
Waer dat hy blijft.


http://home.conceptsfa.nl/~pluttik/index.html

Joost van den Vondel
Gysbreght van Aemstel (1637)

Samenvatting

Eerste bedrijf
Gysbreght van Aemstel bevindt zich met soldaten en burgers buiten de Haarlemmerpoort om zich ervan te overtuigen dat het leger van de Kennemers en Waterlanders na een jaar werkelijk het beleg van Amsterdam heeft opgegeven. In een lange monoloog licht hij het publiek in over de situatie: hij is weliswaar (met Geeraert van Velzen en Herman van Woerden) betrokken geweest bij de samenzwering tegen en de moord op graaf Floris V., maar hij was de enige die de graafvoor een wettige rechtbank had willen laten verschijnen. Nu wordt juist Gysbreght getroffen door de wraak van Floris' aanhangers, terwijl de graaf zelf de schuldige van alles was: hij had zich vergrepen aan Machteld van Velzen (de nicht van Gysbreght) en daarna de adel getiranniseerd. Vooral het afgunstige Haarlem probeerde voordeel uit de wraakzucht te halen. Het Karthuizerklooster, dat net buiten de stadspoort ligt, heeft als hoofdkwartier van de vijand gediend. Abt Willebrord komt vertellen dat de vijandelijke aanvoerders, Willem van Egmont en Diederick van Haerlem, hevige ruzie hadden gekregen en dat hij hen er toen van had kunnen overtuigen dat ze het beleg van Amsterdam maar beter konden opbreken. Arent van Aemstel, de broer van Gysbreght, heeft met zijn soldaten de vluchtende vijand nagejaagd en een gevangene, krijgsoverste Vosmeer meegebracht. Deze vertelt, dat hij een mooi plan had bedacht: in de kerstnacht zouden ze de gracht met rijshout moeten dempen en een bres in de muur slaan, zodat een groep dappere soldaten de stad binnen kon sluipen. Als bewijs dient het achtergelaten 'zeepaard', een met rijshout geladen schip. Er was echter ruzie onder de aanvoerders ontstaan over Vosmeers plan; hij was gevangen genomen, maar gelukkig door een vriend bevrijd, zodat hij kon vluchten. Arents soldaten hadden hem toen in het moeras ontdekt en gevangen genomen. Gysbreght gelooft het verhaal, schenkt Vosmeer de vrijheid en geeft hem opdracht het 'zeepaard' binnen de stad te brengen. De Rey van Amsterdamsche Maeghden (meisjes) bezingt de gemakkelijk behaalde overwinning. Nu kan Gods geboortefeest gevierd worden.

Tweede bedrijf
In de buurt van het Karthuizerklooster lichten Willem van Egmont en Diederick van Haerlem 's avonds hun hoplieden in over Vosmeers plan. Tot het moment van de grote aanval zullen ze onderdak zoeken in het klooster. Willebrord wil hen eerst niet toelaten, maar zwicht als Diederick dreigt het klooster in brand te steken. Intussen heeft Willem van Egmont bij de gracht een ontmoeting met Vosmeer, die vertelt dat het schip (dat vol soldaten zit!) de stad is binnengehaald en het rijshout gelost, zonder dat iemand argwaan heeft gekregen. De burgers van Amsterdam zijn naar de kerk gegaan; Vosmeer zal terugzwemmen naar de overkant en het schip in brand steken zodra de soldaten de Haarlemmerpoort geopend hebben. Het brandende schip zal het sein zijn voor Van Egmonts troepen om naar Amsterdam op te rukken. De Rey van Edelingen zingt de kerstzang, eindigend in een gebed.

Derde bedrijf
Gysbreghts vrouw Badeloch, die even insluimerde terwijl ze zich aan het kleden was voor de nachtmis, heeft een angstige droom gehad, waarin haar overleden nicht Machteld van Velzen verscheen. Machteld bezwoer Badeloch met haar dierbaren de stad langs de zeekant te verlaten, omdat die brandend ten onder zou gaan. Gysbreght hecht geen betekenis aan de droom, maar dan stormt de huisgeestelijke, deken Peter, binnenom te melden dat Vosmeer de stad in handen van de vijanden heeft gespeeld. Gysbreght haast zich naar de Schreierstoren om de toestand te overzien. Als hij terugkomt, staan Arent en de bondgenoten klaar om hem te volgen in de strijd. De Rey van Klaerissen zingt een klaagzang over de kindermoord in Bethlehem ('O, Kerstnacht, schoner dan de dagen ...').

Vierde bedrijf
Klaeris van Velzen, dochter van Machteld, is moeder-overste van het Klaerissenklooster. In dit klooster, heeft Gozewijn, ex-bisschop van Utrecht en oom van Gysbreght, een toevlucht gevonden. Hij raadt Klaeris en de nonnen dringend aan te vluchten; hijzelf wil in bisschoppelijk gewaad de vijand afwachten. Klaeris weigert echter te vluchten. Op het moment dat Gozewijn samen met de nonnen de lofzang van Simeon zingt, treedt Gysbreght binnen. Hij wil hen in veiligheid brengen, maar ze zijn bereid te sterven. De vijand staat al voor de poort en Gysbreght vertrekt snel om die te bestrijden. Inmiddels verkeert Badeloch in de burcht in grote angst. Gysbreght heeft zijn broer Arent gestuurd om de bewoners van het kasteel te beschermen, Arent beschrijft uitvoerig de plundering van de Nieuwe Kerk, waarbij veel mensen zijn omgekomen, onder andere Kristijn van Aemstel; Gysbreght werd gedwongen zich van de Dam terug te trekken. De Rey van Burghzaten verheerlijkt de huwelijkstrouw ('Waer werd oprechter trouw/Dan tusschen man en vrouw/Ter weereld oit gevonden?'), waarna Gysbreght verschijnt.

Vijfde bedrijf
Hij vertelt dat na de Dam ook het Raadhuis door de vijand werd ingenomen; via een geheime gang had hij het gebouw kunnen verlaten. Onderweg heeft hij het klooster in brand zien steken. De bode vertelt wat zich daar binnen heeft afgespeeld: Witte van Haemstede (bastaardzoon van Floris V) heeft bisschop Gozewijn neergestoken en Klaeris verkracht en op gruwelijke wijze vermoord. Overal staan gebouwen in brand en het kasteel van Gysbreght is in groot gevaar. Arent doet met zijn mannen een uitval, maar wordt daarna dodelijk gewond binnengedragen en sterft. De Heer van Vooren (onderhandelaar van Willem van Egmont) eist overgave, maar Gysbreght weigert. Hij wil dat Badeloch en hun twee kinderen, Adelgund en Veenerick, aan de IJ-kant het kasteel verlaten. Badelochs verzet hiertegen maakt Gysbreght radeloos; als hij dreigt zich te zullen doodvechten, geeft ze uiteindelijk toe. Terwijl Peter het afscheidsgebed uitspreekt, verschijnt plotseling de aartsengel Rafa‘l om Gods plan mee te delen: eens zal de stad met grotere glans uit haar as herrijzen; Gysbreght moet aanvaarden dat Gods daden niet te begrijpen zijn. De engel voorspelt ook dat na drie eeuwen Gysbreghts daden op het toneel gebracht zullen worden. Hij moet met zijn gezin uitwijken naar het welvarende Pruisen, waar hij de stad Nieuw-Holland zal stichten. Gysbreght buigt voor Gods wil, hoewel het afscheid van Amsterdam hem zwaar valt, want 'De liefde tot zijn land is yeder aengeboren'.

Analyse en interpretatie

Bronnen

Vondel heeft van verschillende bronnen gebruik gemaakt:
het tweede boek van Aene•s van Vergilius Maro (70-19 v. Chr.). Aene•s bestaat uit twaalf boeken; het tweede bevat Aeneas' verhaal aan koningin Dido over de inname van Troje en zijn vlucht. Aanleiding tot de belegering van Troje door de Grieken was het feit, dat Paris, de koning van Troje, Helena, de vrouw van koning Menelaos van Sparta, geschaakt had. Na een belegering van tien jaar werd de stad ingenomen door een list van Odysseus: een reusachtig houten paard, vol soldaten. In het 'Voorspel' noemt Vondel een aantal parallelen tussen de geschiedenis van Troje en Gysbreght van Aemstel: Xanthus - Amstel, Priamus - Gozewijn, Helena - Machteld van Velzen, Sinoon - Vosmeer, Aeneas - Gysbreght, Creusa - Badeloch, paard van Troje - 'zeepaard'. Ook in het woordgebruik zijn er vele parallelen met het tweede boek van Aene•s (Vondel was bezig dit werk uit het Latijn te vertalen);
D'oude Chronycke ende Historien van Hollandt, van Zeeland ende van Wtrecht (1620) van W. van Gouthoeven. In dit werk wordt onder andere de verovering van Amsterdam door de Kennemers en de Friezen in 1304 beschreven;
Geeraerdt van Velzen (1613) van P.C. Hooft. In dit stuk spelen Gysbreght van Aemstel en Machteld van Velzen ook een belangrijke rol. De dialogen tussen Gysbregth en Badeloch vertonen veel overeenkomsten met die tussen Geeraerdt en Machteld. Bovendien wordt in beide werken een voorspelling uitgesproken: bij Hooft door de stroomgod De Vecht, bij Vondel door de engel Rafa‘l; de bijbel (het kerstgebeuren). Gysbreght van Aemstel vertoont ook invloeden van de Latijnse treurspeldichter Seneca (4 v. Chr. - 65 n..Chr.): lange monologen, het optreden van een bode, geestverschijningen en de voorspelling door een hogere macht.

Compositie

Gysbreght van Aemstel bestaat uit vijf bedrijven, met daartussen reien (die oorspronkelijk gezongen werden):

1. (vers 1-450): 'expositio' of uiteenzetting;
2. (vers 451-744): 'intrige', voorbereiding van de aanslag op Amsterdam;
3. (vers 745-950): 'climax', opvoering van de spanning;
4. (vers 951-1288): 'catastrofe', verlies van de strijd;
5. (vers 1289-1896): 'peripetie' en 'agnitio', lotswisseling en afloop.

De vier verschillende reien geven uiting aan de reacties op het gebeurde. Het stuk heeft deels een gelukkig, deels een ongelukkig einde: Gysbreght gaat niet ten onder, de stad Amsterdam wel. (Hugo de Groot had al ontdekt dat de ongelukkige afloop of 'exitus infelix' niet essentieel is voor het treurspel).

Personages

Er zijn drie groepen personages te onderscheiden:

Protagonisten ('bedreigden'):
Gysbreght van Aemstel, de hoofdpersoon, praat veel, maar toont weinig daadkracht (net als zijn 'voorbeeld' Aeneas!). Op verschillende kritieke momenten is hij niet op het gevechtsterein aanwezig. Hij is een vrome held, een 'christelijke Aeneas' die zich onderwerpt aan de wil van God, een wijze vorst die zelf niet ten onder gaat (de stad Amsterdam wel). Gysbreght is gemodelleerd naar de historische figuur Gijbrecht IV van Amstel, die in 1274 aan het hoofd van de boerenopstand, die door graaf Floris V onderdrukt werd. Gijsbrecht raakte al zijn gebieden kwijt, behalve Amstelland. Na zijn betrokkenheid bij de moord op Floris V in 1296 verloor hij ook dat gebied. Zijn zoon Jan maakte zich in 1303 meester van Amsterdam (eigenlijk had deze Jan dus model voor Gysbreght moeten staan!).
Andere protagonisten zijn:
Badeloch, Gysbreghts vrouw. Zij is gevoelig, flink en vastberaden. Haar liefde voor haar man is heel sterk; ze verpersoonlijkt de huwelijksliefde;
Gozewijn, ex-bisschop van Utrecht (omstreeks 1066 werd hij door de aartsbisschop van Keulen afgezet);
Klaeris van Velzen, de overste van het Klaerissenklooster, dochter van Geeraerdt en Machteld van Velzen; Arent van Aemstel, Gysbreghts broer. Hij is de moedige verdediger van de stad en het kasteel.
Antagonisten ('tegenspelers'):
Tot deze groep behoren onder andere Willem van Egmont, Diederick van Haerlem en de Heer van Vooren.
Tritagonisten ('derde machten'):
Hiertoe behoren onder meer de zelfingenomen abt van het Karthuizerklooster, Willebrord, de sluwe spion Vosmeer en de bode.
De engel Rafa‘l, Gods boodschapper, vormt een 'vierde macht'.

Plaats en tijd

Plaats van handeling is 'voor en in de stad' Amsterdam: er is dus geen eenheid van plaats. Het eerste, derde en vijfde bedrijf spelen zich af in Gysbreghts kasteel, het tweede is gesitueerd in het kamp van de vijand en het vierde speelt zich deels in het klooster deels in het kasteel af. De gebeurtenissen vinden plaats in 1304. Er is eenheid van tijd: de handeling begint omstreeks 15.00 uur op de kerstdag en eindigt de volgende morgen (een tijdsbestek van minder dan ŽŽn etmaal). Er komen in het stuk verschillende anachronismen ('fouten tegen de tijd') voor: in 1304 was Gysbreght IV van Aemstel al dood en Amsterdam nog geen belangrijke stad.

Vertelperspectief

De personages op het toneel presenteren zichzelf.

Thematiek

Centraal in het spel staat het vertrouwen in de zinvolheid van Gods bestuur (vergelijk vers 1684: 'd Onsterfelijcke Godt heeft alles in zijn hant' en vers 1831: 'Want d'Opperste beleit zijn zaecken wonderbaer'). God zal uiteindelijk alles ten goede keren. Verder spelen een aantal motieven en elementen een belangrijke rol:

het Troje-motief: de stad wordt ingenomen door middel van een list (houten paard c.q. 'zeepaard' vol soldaten: vergelijk het turfschip van Breda);
het stadsmotief: er wordt een relatie gelegd tussen Troje, Amsterdam en Bethlehem. De ondergang van Amsterdam in de kerstnacht is het christelijke equivalent van de verwoesting van Troje;
verraad, list en bedrog;
verkrachting (Machteld en Klaeris van Velzen) en moord (Gozewijn, Klaeris van Velzen);
droom (Badeloch);
huwlijksliefde (bezongen in de vierde rei);
ingrijpen van God via een engel ('deux ex machina');
vergankelijke aardse grootheid tegenover eeuwige waarden.

Vooral in de reien komt het christelijke karakter van het stuk naar voren: het 'hemelse gerecht' heeft Gysbreght (en Amsterdam) geholpen (eerste rei), Gods gedachten en opvattingen zijn niet de onze (tweede rei), God is machtiger dan de kindermoordenaar Herodes (derde rei) en de huwelijksliefde is het embleem van Gods liefde (vierde rei).

Stijl

Gysbreght van Aemstel is geschreven in vijf- en zesvoetige jamben (alexandrijnen). Er komt een aantal lange monologen voor: twee van Gysbreght (vers 1-162 en vers 1294-1392), ŽŽn van Arent (vers 1083-1236) en ŽŽn van de bode (vers 1396-1519). Vooral de reien zijn sterk lyrisch (dat wil zeggen ze geven uiting aan emoties). Opvallend zijn de vele schrille contrasten en de bloederige beschrijvingen (kenmerkend voor de barok: zie J. van den Vondel, Lucifer).

Stroming en genre

Gysbreght van Aemstel is enerzijds een klassiek drama (treurspel) met christelijk karakter (een creatieve imitatie van een deel van Aene•s), anderzijds een gelegenheidsstuk: het moest dienen als openings- en inwijdingsstuk voor de nieuwe, stenen schouwburg die de 'Amsterdamsche Kamer' aan de Keizersgracht had laten bouwen onder leiding van Nicolaas van Kampen. De opvoering moest plaatsvinden op tweede kerstdag, maar na protesten van de gereformeerde predikanten, waaronder Ds. Laurentius en Ds. Wachtendorfius, tegen het 'roomse' karakter van het stuk, stelden de burgemeesters de opvoering uit tot 3 januari 1638 en moesten enkele passages weggelaten worden.
Volgens Vondel moest het treurspel meedogen en schrik bij het publiek teweeg brengen. Net als veel andere drama's van Vondel is ook Gysbreght van Aemstel sterk emblematisch, dat wil zeggen het bevat een universele waarheid of gedachte om het publiek te stichten. Het klassieke drama was een geliefd toneelgenre in de renaissance (zie voor renaissance: P.C. Hooft, Granida). Kenmerken van het klassieke drama zijn onder meer de indeling in vijf bedrijven, de reien tussen de bedrijven, het optreden van het hooggeplaatste personages, de eenheid van tijd, plaats en handeling, het optreden van een bode en het verwerken van klassieke stof. Andere belangrijke toneelgenres van de renaissancisten zijn de tragikomedie (of het blij-einde-treurspel), het 'vrije' of 'romantische' drama, de pastorale en het blijspel (de komedie). Naast de dramatiek nemen de emblematiek (een combinatiegenre van prent en tekst) en de episch-lyrische dichtkunst in de zeventiende eeuw een belangrijke plaats in.

Auteur

Joost van de Vondel (1587-1679) werd geboren in de Grosze Witschgasse in Keulen. Zijn vader Joost (een hoedenmaker) en moeder (Sara Cranen) behoorden tot de wederdopers of mennonieten en waren vanwege vervolgingen uit Antwerpen gevlucht. In 1595 ging het gezin in Utrecht wonen. Twee jaar later begon vader een zaak in kousen en zijde-artikelen in de Warmoesstraat in Amsterdam ('In de rechtvaerdige Trou'). Vondel werd lid van de Brabantse rederijkeskamer ''t Wit Lavendel' en later (1617) van 'De Nederduytsche Academie'. In 1618 nam hij de zaak van zijn vader over. In 1610 was hij getrouwd met zijn buurmeisje Maeyken de Wolff (die ook in Keulen geboren werd). Van hun vier kinderen (Joost, Anna, Sara en Constantijn) stierven de laatste twee op jonge leeftijd. In 1621 leed Vondel aan een psychische depressie. Hij onderhield contacten met onder andere P.C. Hooft en Hugo de Groot (H. Grotius); af en toe bezocht hij Hoofts 'Muiderkring'. Hij was doopsgezind, maar werd (waarschijnlijk door de invloed van pastoor Leonardus Marius) omstreeks 1641 rooms-katholiek, wat tot een breuk met P.C. Hooft leidde. Hij werd gerechtelijk vervolgd voor zijn hekeldrama Palamedes, dook een tijdje onder en kreeg uiteindelijk alleen een geldboete. In 1643 trouwde zijn zoon Joost met Aeltje van Bancken; ze trokken bij Vondel in. Met de zaak ging het niet goed. Toen zoon Joost bankroet ging, nam Vondel alle schulden op zich. Om aan een veroordeling te ontkomen, vertrok Joost jr. in 1659 naar Oost-Indi‘; hij stierf echter onderweg. Van 1658 tot 1668 werkte Vondel als suppoost en boekhouder bij de Amsterdamse Bank van Lening met een (voor die tijd vorstelijk) jaarsalaris van zeshonderdvijftig gulden. Na zijn ontslag behield hij dit salaris. Op hoge leeftijd bezocht hij zijn geboortestad Keulen (1671). Tegen het einde van zijn leven waren vrijwel al zijn geschriften en boeken uit zijn huis verdwenen. Teleurgesteld in het leven stierf hij in februari 1679; hij werd begraven in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. De autodidact Vondel volgde in zijn omvangrijke toneelwerk nauwgezet de opvattingen van grote voorgangers: eerst de Fransen (Du Bartas), daarna de Romeinen (onder andere Seneca) en vanaf ongeveer 1640 de Grieken (onder andere Sophocles en Euripides). Hij was zeer belezen en had een voor die tijd omvangrijke bibliotheek van ruim tweehonderd boeken. Hij was ervan overtuigd dat de klassieke schrijvers niet te overtreffen waren wat betreft de vorm van de tragedie, maar wel wat betreft de inhoud: voor hem stond vast, dat bijbelse stof op een hoger plan stond dan historische of mythologische. Vondel was vrij conservatief en anti-revolutionair in hart en nieren. Hij had een voorliefde voor het abstracte (schreef veel idee‘ndrama's), was melancholisch van aard, soms agressief in zijn strijd voor gewetensvrijheid. Hij was geneigd zich steeds te onderwerpen aan regels en normen van de klassieken, geleerde tijdgenoten (J.J. Scaliger, D. Heinsius, H. Grotius, G. Vossius) en de bijbel. Altijd wilde hij een universeel geldende waarheid, waarde of wijsheid in zijn drama's tot uitdrukking brengen (emblematisch toneel). Humor en erotiek ontbreken volledig in zijn werk.
Vondels zinspreuk was 'Liefd' verwinnet al' (Liefde overwint alles). In 1867 werd een standbeeld van Vondel onthuld in het Nieuwe Rij- en Wandelpark (nu: Vondelpark) in Amsterdam; het werd gemaakt door Louis Royer en P.J.H. Cuypers. De belangrijkste werken van Joost van den Vondel zijn: Het pascha (1612; bijbels treurspel); Vorstelicke Warande der dieren (1617; emblemata); Het Lof der Zee-vaert (1623; lofzang); Palamedes oft Vermoorde Onnooselheyd (1625; hekeldrama); De Rijnstroom (1630; stroomgedicht); Gysbreght van Aemstel (1637); Maeghden (1639; treurspel); Gebroeders (1640; bijbels treurspel); Joseph in Dothan, Joseph in Egypten en Joseph in 't hof (1640; trilogie); Peter en Pauwels (1641; treurspel); Altaergeheimenissen (1645; leerdicht); Leeuwendalers (1647; pastorale); Salomon (1648; treurspel); Aenleidinge ter Nederduytsche Dichtkunst (1650; theoretisch prozawerk); Lucifer (1654; treurspel); Inwydinge van 't Stadthuis t'Amsterdam (1655; lofzang); Jeptha of offerbelofte (1659; bijbels treurspel); Koning David in ballingschap en Koning David herstelt (1660; bijbelse drama's); Toneelschilt oft Pleitrede voor het toneelrecht (1661; theoretisch prozageschrift); Johannes de Boetgezant (1662; bijbels epos); De heelyckheit der Kercke (1663; een geschiedenis van de katholieke kerk); Adam in ballingschap (1664; treurspel); Zungchin of Ondergan der Sineesche heerschappije (1667); Noah of Ondergang der eerste weerelt (1667). Verder schreef Vondel ongeveer dertig hekeldichten (onder andere 'Geuzevesper', 'Roskam', 'Harpoen') en veel gelegenheidspo‘zie (bruiloftsdichten, lijkdichten, zegezangen, dankdichten enzovoort). Hij vertaalde onder meer werken van Du Bartas, Seneca, Ovidius, Sophocles en Euripides.

Bronnen: http://www.hum.uva.nl/dsp/ljc/vondel/indext.htm
http://www.hum.uva.nl/dsp/ljc/vondel/gysbregt/gysbreg2.html

site index language page This page: www.ecoglobe.org.nz/language/gysbregt.htm 15FEB2002